Verbaal geweld

dinsdag, februari 08, 2011






Het was een vrijdag, een aantal dagen geleden. Mijn werk zat erop voor die dag. Ik zou dus voorzichtig kunnen beginnen met het kweken van een content gezicht. Maar het zat er niet in. Terwijl ik op de fiets van mijn werk naar huis peddelde -op hobbelige wegen-, voelde ik de
wodka van de vorige avonden nog in mijn maag klotsen. De riem van mijn tas sneed pijnlijk in mijn schouder en het zicht werd mij grotendeels ontnomen door de zon die volhardend in mijn gezicht brandde. Het was weer zo'n dag, weet u wel.

Ik naderde bij het centrum van Doetinchem de verkeerslichten. Nog tweehonderd meter. Aan mijn rechterzijde stonden in de berm een trekker en enkele mannen in oranje overalls. Ze hadden een motorzaag in de hand. Enkele bomen gingen neer. Het geluid van de motorzaag stierf langzaam af. Het verkeerslicht stond op rood. Voor mij zat een man van een jaar of 45-50 jaar op zijn fiets. Hij gebruikte zijn rechtervoet als standaard. Ik zag dat hij aan een softijsje knaagde. Er klonk woede uit de manier waarop hij zijn ijs te lijf ging. Ik hoorde hoe zijn kiezen de discodip vermaalden. Ik keek vanachter naar hem. Toen pas viel me op dat hij ook nog een meisje van een jaartje of vijf op zijn bagagedrager droeg.

'Pap, hoe lang duurt het nog tot het groen is?', vroeg het meisje op een schuldige of schuldbewuste manier. Een vrouw naast vader en dochter, kromp ineen. Aan haar ongemakkelijke houding vermoedde ik met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ze bij hen hoorde. Ik zag dat de vader zich met zijn hele lichaam prepareerde om een reactie te geven. Hij draaide zich om. Zijn ogen zagen eruit als doffe stukjes klei die in zijn oogkassen gekwakt waren. Losse kwabben vel onder zijn kin. Oren die generaties inteelt verrieden. Het hele lichaam, dat nu ook een inferieure stem kreeg, beet haar toe: 'Als ik 'oe nog een keer hoor dramm'n, zet 'k 'oe loopuhs van de fiets af', waarna een volstrekt onzinnig supplement volgde: 'Ik sweer 't juh!'

Het kind keek achterom om te kijken of iemand het had gehoord.

De woorden (als je van woorden mag spreken) ze'k 'oe loopuhs van de fiets af intrigeerden mij. Ik moest al mijn kennis van de syntaxis en morfologie aanspreken om tot begrip te komen. Wat betekent ze'k 'oe loopuhs van de fiets af ?

Er waren wat mij betreft vier mogelijkheden:
1. Als ik je nog een keer hoor drammen, zet ik je van de fiets waarna je kunt lopen.
2. Als ik je nog een keer hoor drammen, zet ik je van de fiets terwijl ik loop.
3. Als ik je nog een keer hoor drammen, stappen we beiden af waarna we gaan lopen.
En mogelijkheid vier acht ik het meest waarschijnlijk.
4. Ik heb zelf ook geen flauw benul van wat ik zeg omdat ik een mislukkeling ben.

Een klassiek kop-of-muntmoment diende zich bij mij aan. Ik wierp een denkbeeldig muntstuk in de lucht.

Kop: bemoei je niet met andermans zaken. Je bent bijna thuis, doe de rolluiken naar beneden, sluit je af van de mensheid. Die man is toch al vergald, daar verander je niks aan. Kijk goed naar die oren Mehmet ....  Dat is vechten tegen de bierkaai.

Munt: stel jezelf ootmoedig, maar assertief op. Vertel dat je iets met taal doet en dat de syntaxis van zijn zin je intrigeert. Kijk naar welke kant het gesprek zich beweegt. Geeft hij netjes antwoord, dan heeft hij geluk. Gaat het mis? Dreigt hij agressief te worden? Dan kun je altijd nog een robbertje vechten. 

Een windvlaag bracht een beetje van het boomzaagsel mee en blies het in mijn ogen. Ik negeerde het. Het denkbeeldige geldstuk viel op de grond en tolde daar nog wat rond. Toen het op zijn zij viel, zag ik het duidelijk. Munt. Het kon dus alle kanten opgaan. Ik liet er geen gras over groeien.

'Hoe doe je dat eigenlijk, iemand lopend van de fiets afzetten?' vroeg ik pseudo-nieuwsgierig.
Ik tutoyeerde bewust. Ik zag 'm kijken met een blik van je bent zo'n eloquente klootzak en je vindt het leuk ermee te koop te lopen, hé? (al geloof ik niet dat het woord eloquent werkelijk in zijn gedachten voorkwam. Dat had hij gewoon niet in zich)

Dezelfde windvlaag blies ook bij hem wat zaagsel in de ogen. Hij scheen er last van te hebben, want hij wreef met de rug van zijn hand in zijn ogen. Het ijsje dat hij in zijn hand vasthield, was hij vergeten. Het liet een softijsspoor op zijn voorhoofd achter. Deze had ik er graag vanaf willen deppen. Met een boksbeugel bijvoorbeeld.

Nu keek ook de vrouw aandachtig naar ons. Over haar viel niet veel te zeggen. Ze was als exemplaar van de vrouwelijke soort simpelweg mislukt. Een exemplaar dat de fabriek nooit had mogen verlaten. Een grote traan in elk oog. Ze vielen er net niet uit. Ik had vrouwen mij met dezelfde ogen zien aankijken voordat ze begonnen te schreeuwen of ik wel wist wat voor een klootzak ik was. Met een hoge stem die ze niet onder controle had, zei ze: 'Sjon, laten we gewoon verder fietsen'. Ik keek naar Sjon. Sjon keek terug.

'Maar wat zou jij doen ...' Hij laste een korte pauze in om gewichtiger over te komen '... als je kind 30 uur per dag liep te dramm'n'?'

Ik zag dat Sjon onnozel op mijn antwoord wachtte.

Bij gebrek aan spitsvondigheid haalde ik mijn schouders op.

Ik was letterlijk met stomheid geslagen.
Tegen zulk verbaal geweld was ik niet opgewassen.
Het licht sprong op groen.






Wellicht vind je ook interessant:

0 reacties